Vraag en Antwoord over PAS en NB

Vragen en antwoorden nav de Huiskamerbijeenkomsten januari/februari 2015 over PAS en NB:

  1. Hoe zit het als ik mijn NB al heb en ik voor de toekomst Ammoniak heb gekocht maar nog niet benut binnen deze NB? Antwoord: Een NB-vergunning is onherroepelijk. Om hiervan gebruik te maken is geen ontwikkelruimte nodig.
  2. Wat is de waarde van een milieu vergunning als er nog geen NB –vergunning is? Kunnen hier rechten aan worden ontleend? Antwoord: De waarde van de milieuvergunning is nul als daar meer ruimte in aanwezig is tov het hoogste aantal gehouden dieren over de periode 2012-2013-2014. Hier kunnen wat betreft de NB-vergunning geen rechten aan worden ontleend. Voor uitbreiding om deze ruimte te benutten moet ontwikkelruimte beschikbaar zijn middels aanvraag/melding
  3. Blijft de NB-vergunning  overeind als de latente ruimte niet wordt benut? Antwoord: Ja, zie vraag 1
  4. Komt de ammoniak van stoppers bij de 5,6 kTon ontwikkelruimte? Antwoord: Nee, de ammoniak van de stoppers wordt automatisch verdeeld tbv de autonome ontwikkeling. In de PAS wordt er van uitgegaan dat die dieren worden overgenomen door een groeier. Deze ruimte komt dus in elk geval beschikbaar.
  5. Een vraag over de reductie van die 10Kton van , wanneer gaat dit in? Antwoord:  Er is geen ingangsdatum. Afgesproken is dat in 2030 10 kton gereduceerd is door de sector. Dus hoe sneller we beginnen des te meer tijd er is.
  6. Er is discussie over uitbreiding totale depositie per ha per jaar,  graag meer info. Antwoord:  Schat in dat het gaat om welk getal genomen moet worden bij een berekening met AERIUS. Limiterend is de maximale bijdrage van een uitbreiding op een habitat. Is dit voor elk habitat onder de 1 mol/ha/jaar dan geldt een melding, daarboven is een NB-vergunning vereist.
  7. Kan iedereen gebruik maken van 5,6k. ton uitbreiden? Ook als je dicht bij Boetelerveld (Natura 2000 gebied) zit? Antwoord: Over de verdeelregels van de beschikbare ontwikkelruimte wordt momenteel gesproken. Het is verdeeld in 4 segmenten, waarbij gedacht wordt aan een grens van 3 mol/ha/jaar als maximale bijdrage die uit ontwikkelruimte gehaald mag worden. Als meer ruimte nodig is zal dit door emissiearme maatregelen moeten of de provincie zal maatwerk moeten gaan toepassen. Duidelijkheid hierover is er nog niet

In het overzicht hieronder kunt u vragen & antwoorden vinden op het gebied van Mest en GLB naar aanleiding van de huiskamerbijeenkomsten.

Vraag: wat is de definitie van blijvend grasland?

Antwoord: Grasland is blijvend grasland als er minimaal 5 jaar achter elkaar grasland is geweest. Gras in 2015 is dus blijvend grasland als het in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015 gras is geweest. Uiteraard geldt dit ook als de periode langer is. Is de periode korter, dan is het bouwland en spreken we van tijdelijk grasland. Tijdelijk grasland kan dus maximaal 4 jaar achter elkaar. Is dat perceel ook in 2015 (5e jaar) gras, dan is het plotseling blijvend grasland.

Nieuwsbrief melkveehouderij 5 december 2013 update GLB (uitleg toeslagrechten meer dan 785 euro per hectare)

In deze nieuwsbrief wordt een update gegeven van het GLB. Onder  het kopje "Overgang" wordt uitleg gegeven over de overgang van de historische rechten naar het nieuwe GLB. Hierbij wordt aangegeven dat het erop lijkt dat de staatssecretaris de overgangsperiode wil beperken tot 2019, het einde van de begrotingsronde. Belangrijkste argument is dat ook Nederland afscheid moet nemen van de historische rechten en de zaak gelijk wil trekken. Hiervoor lijkt ook een kamermeerderheid te ontstaan. Uit berekeningen blijkt dat het Ierse systeem van 30% beperking alleen  voordelig is als je nu meer dan 785 euro per hectare ontvangt. Om dit te compenseren kan er voor gekozen worden om de vergroening niet als vast bedrag per hectare uit te keren, maar als percentage van de totale bedrijfstoeslag. Voor de intensieve sectoren is dit vooral gunstiger in de eerste jaren. De reactie van de staatssecretaris hierop is dat ze zegt de overgang maximaal te willen faciliteren. LTO gaat er dus vanuit dat ze de groene premie als percentage van het totaalbedrag wil invoeren, waardoor de daling in 2015 en 2016 voor boeren met hoge toeslagrechten wat geleidelijker gaat. Maar uiteindelijk komt dit in 2019 uit op zo'n 370 euro per ha, inclusief vergroening. LTO wil dat er voor bepaalde groepen, zoals de intensievere melkveehouders extra maatregelen genomen worden. Dat zou vanaf een huidige premie van 785 euro per hectare de negatieve inkomenseffecten dempen. De Tweede Kamer praat hierover op 18 december. Op 19 december wordt er gestemd over moties.
 

Welke bedrijven moeten een NB-wet vergunning hebben?

Als er sprake is van wijziging van de bedrijfsopzet ten opzichte van de referentiedatum is een vergunning nodig. Referentiedata voor Overijsselse gebieden zijn 7 december 2004, 24 maart 2000 en 10 juni 1994. Omdat deze data al zo ver terug liggen, is  er op nagenoeg elk bedrijf wel een gewijzigde situatie. Dit betekent dat nagenoeg elk bedrijf vergunningplichtig is.

Op 13 november 2013  heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) twee uitspraken  gedaan die gevolgen hebben voor de manier waarop GS van Overijssel vergunningen op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 verleent, aan agrarische bedrijven. Beide uitspraken hebben gevolgen voor de lopende en nog in te dienen vergunningaanvragen.

Als gevolg van de uitspraken geldt nu per direct het volgende voor zowel nieuwe als lopende procedures:

1.    Bij ammoniakrechten uitgaan van de kleinste milieuvergunde ammoniakemissie van een bedrijf en niet zonder meer uitgaan van de milieuvergunde emissie op datum aanwijzing/aanmelding gebieden

Voorbeeld 1:

-              Milieuvergund op 10 juni 1994: vee met emissie van 9.396 kg per jaar;

-              Milieuvergund in 2000: vee met emissie van 8.190 kg per jaar;

-              Milieuvergund in 2010: vee met emissie van 4.000 kg per jaar

Voor de aanvraag van de Nbwetvergunning zijn de rechten dan de laagste, dus 4.000 kg.

Voorbeeld 2:

-        Milieuvergund op 10 juni 1994: vee met emissie van 9.396 kg per jaar;

-        Milieuvergund in 1996: vee met een emissie van 7.000 kg per jaar;

-        Milieuvergund in 2000: vee met een emissie van 8.000;

-        Milieuvergund in 2004: vee met een emissie van 8.000 kg per jaar.

Voor de aanvraag van de Nbwetvergunning zijn de rechten dan de laagste, dus 7.000 kg.

Gevolgen voor onze werkwijze

Tot nu toe keken we enkel naar de rechten op datum aanwijzing gebieden en was niet relevant of die agrariļæ½r op moment van indienen van een aanvraag Nbwetvergunning nog beschikte over een milieuvergunning/ of viel onder Algemene regels (Activiteitenbesluit).

Vanaf heden moeten we volgens de uitspraak wel kijken naar de milieuvergunde situaties ten tijde van aanwijzing gebieden, echter er zijn twee nieuwe toetsingspunten bij gekomen. Ten eerste moet de aanvrager nog beschikken over een geldende milieuvergunning/melding Activiteitenbesluit en feitelijk aanwezig zijn (hierover onder punt 2 meer). Ten tweede vormt de laagste milieuvergunde emissie (van een Wm-vergunning  vigerend tussen 10 juni 1994 en nu) het uitgangspunt voor het verlenen van een Nbwetvergunning. Het kan zijn dat een aanvrager tussen twee verschillende aanwijsdata zijn laagst vergunde emissie heeft. Dan moet daarvan worden uitgegaan.

Een aanvrager zal dus vanaf 10 juni 1994 al zijn milieuvergunningen/meldingen bij een aanvraag moeten voegen. Overige zaken die nog aangeleverd moeten worden voor een ontvankelijke aanvraag blijven hetzelfde.

2.    Het bedrijf waarmee gesaldeerd wordt op het moment van intrekken van de milieuvergunning/melding moet feitelijk nog aanwezig

Tot voor kort mocht gesaldeerd worden met een bedrijf zolang dit bedrijf nog milieuvergunde rechten had (milieuvergunning dan wel melding), ongeacht of dit bedrijf nog in werking is of niet. De RvS nuanceert dit nu en stelt de voorwaarde dat het bedrijf waarmee gesaldeerd wordt op het moment van intrekken van de milieuvergunning/melding feitelijk nog aanwezig moet zijn. Voor bedrijven die nog volop in werking zijn en stoppen om te salderen levert dit geen probleem op. Voor de bedrijven waar geen dieren meer in staan maar hun vergunning/melding intrekken om te salderen, geldt dat ze feitelijk nog aanwezig zijn als de hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid Nbw voor de realisering van een project, is vereist (art. 19d spreekt van een vergunningplicht voor projecten of andere handelingen).

De definitie van project luidt:

-      De uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken,

-      Andere ingrepen in natuurlijk milieu en landschap, inclusief ingrepen voor de ontginning van bodemschatten.

Als er dus voor het hervatten van het bedrijf acties ondernomen moeten worden die onder deze definitie vallen kan er niet mee gesaldeerd worden.

De vraag is dan natuurlijk wanneer iets geen project is maar een andere handeling. Er is jurisprudentie die zegt dat wanneer er bij een veehouderij alleen iets wijzigt in dieren er sprake is van een andere handeling en niet van een project. Vooralsnog gaan we ervan uit dat wanneer er alleen aanpassingen binnenin een stal gedaan moeten worden om het bedrijf te hervatten er geen sprake is van een project en er dus wel gesaldeerd mag worden. Wanneer er een luchtwasser geplaatst moet worden of een deel van de stal of de gehele stal is afgebroken is er wel sprake van een project en kan er dus niet gesaldeerd worden met zo’n bedrijf. Toekomstige jurisprudentie zal moeten uitwijzen waar exact de grens ligt tussen ‘project’en ‘andere handeling’ in dit soort gevallen.

Als geconcludeerd kan worden dat er met een bedrijf gesaldeerd mag worden, moet om te bepalen wat de verhandelbare rechten zijn gekeken worden naar hetgeen hierboven onder punt 1 staat. Dit betekent dat ook van het bedrijf waarmee gesaldeerd wordt, alle milieuvergunningen sinds 1994 moeten worden bijgevoegd inclusief bijbehorende milieutekening dan wel bouwtekening. Ook hier kan worden volstaan met een berekening van de milieuvergunde situatie met de laagste emissie. De spelregels m.b.t. intrekkingsbesluiten etc. blijven hetzelfde.

Bedrijven met een Nb-vergunning

Tot slot hebben we natuurlijk ook nog bedrijven met een Nb-vergunning die feitelijk niet meer aanwezig zijn, maar waar iemand mee wil salderen. Vanwege de formulering in de uitspraak van de RvS (saldering mag niet wanneer voor hervatting een vergunning voor een project vereist is) zijn wij van mening dat saldering gewoon mag omdat het bedrijf al een vergunning voor een project heeft.

Noodzakelijke gegevens bij aanvragen

In verband met de uitspraken hebben wij nu deels andere informatie nodig bij aanvragen om een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. De noodzakelijke gegevens zijn vermeld in de bijlage “Aan te leveren bijlagen bij NBW-aanvragen”.

Beoordeling in behandeling zijnde aanvragen en bezwaren tegen verleende vergunningen

Naar aanleiding van de uitspraken moeten wij helaas alle in behandeling zijnde aanvragen opnieuw beoordelen. Wij moeten beoordelen of een vergunningaanvraag, in het licht van de recente uitspraken volledig is, of aanvullende informatie gevraagd moet worden en of de vergunningaanvraag (nog) vergunbaar is. Per aanvraag zullen wij u informeren of er aanvullende gegevens nodig zijn en of de aanvraag naar verwachting nog vergunbaar is.

Gezien de tijd die wij nodig hebben voor deze beoordeling, zijn wij genoodzaakt de proceduretermijn standaard met dertien weken verlengen. Hierover ontvangt u ook binnenkort per aanvraag een brief.

Daarnaast moeten wij de vergunningen waartegen bezwaar is gemaakt opnieuw beoordelen, net als de aanvragen die in behandeling zijn. Per vergunning zullen wij u informeren of er aanvullende gegevens nodig zijn en of de vergunning in bezwaar stand houdt.