‘Korte keten Gelderland is atypisch’

10 procent van de boeren in Gelderland verkoopt rechtstreeks of via maximaal één tussenschakel aan consumenten. De meeste boeren die op deze manier verkopen, bevinden zich in de Bommelerwaard en de Betuwe. Daarmee is Gelderland ‘atypisch’.

Dat is een van de conclusies uit het onderzoek ‘Korte ketens in Gelderland’ dat provincie Gelderland liet uitvoeren door Wageningen Economic Research. Korte ketens worden vaak genoemd als ontwikkelingsrichting voor boeren die vlak bij grote steden zitten, op locaties die niet geschikt zijn om te produceren tegen lage kosten voor de wereldmarkt. Dit concluderen de onderzoekers.

‘Dit uit de literatuur bekende patroon zien we niet terug op de kaart. Arnhem-Nijmegen is een stedelijk gebied met een koopkrachtige vraag en een hier en daar enigszins versnipperd platteland. Toch zien we hier niet de grootste concentratie van korte ketens’, laten de Wageningse onderzoekers weten.

Dat dit in de Bommelerwaard wel zo is, kan te maken hebben met het beleid van Veiling Zaltbommel, dat expliciet gericht was op het ondersteunen van de korte keten. Andere hoge concentraties in Rivierenland en rond Barneveld worden volgens de onderzoekers verklaard door het soort productie. Fruit en eieren behoeven geen verdere verwerking en zijn daarom uiterst geschikt voor directe verkoop.

Volledig menu ‘uitdaging’
In absolute zin telt Gelderland samen met Noord-Brabant de meeste boeren die actief zijn in de korte keten. Het gaat om 897 agrariërs, 10 procent van het provincietotaal. Volgens de onderzoekers is het desondanks ‘een uitdaging’ voor consumenten om in hun directe omgeving een volledig menu via de korte keten te betrekken. Het best lukt dat nog rond Arnhem en Nijmegen.

‘Het scala aan sectoren die in korte ketens actief zijn, is hier tamelijk gevarieerd. het moet dus mogelijk zijn in deze stadsregio nu al een rijk gevarieerd aanbod van korteketenproducten samen te stellen.’

Het Gelderse voedselsysteem bevindt zich volgens de onderzoekers in een fase waarin er een goede balans bestaat tussen lokaal en globaal. ‘Lokaal inkopen als het kan, globaal inkopen als het moet.’ De provincie telt daarbij veel regionaal opererende partijen, die nooit zijn meegegaan in de globalisering.

‘Zij hebben zich aan weten te passen aan de nieuwe tijd. Juist bij deze partijen zit de kennis hoe te overleven in een globaliserende voedseleconomie. En juist bij deze partijen zit vaak nog het volume om efficiënt te kunnen opereren en echt impact te hebben qua korteketendoelstellingen.’

Bron: Nieuwe Oogst