Liefde voor de aardappel

De bekende Drenth Bartje is vermaard om zijn uitspraak: ‘Ik bid niet voor bruine bonen’. Hoe er echter over de aardappel wordt gedacht in het noordoostelijke zand- en dalgrondengebied is een heel ander verhaal. LTO Noord-voorzitter Bartelds refereerde in zijn opening van de open dag op ’t Kompas te Valthermond op 31 mei 2018 aan historische gebeurtenissen, waarmee de liefde voor de aardappel in het gebied werd geïllustreerd. Die liefde blijkt niet alleen uit gebeurtenissen van het verleden, maar ook nu nog is de aardappel in het noodoosten een geliefd gewas en product. Dat een open dag met de aardappel als middelpunt zo velen uit de wijde omgeving trekt, getuigt daarvan.

De vroegste vermeldingen van de teelt in Drenthe dateren uit de eerste helft van de 18e eeuw, toen het gewas in Zuidlaren en de Lula (beide grenzend aan de Veenkoloniën) en in het zuidwesten van het landschap (Dwingeloo, Ruinerwold) kennelijk al op enige schaal werd verbouwd. Onder invloed van een zich snel ontwikkelende aardappelmeelindustrie heeft de teelt zich in de veenkoloniale gebieden na 1865 belangrijk uitgebreid. Het veenkoloniale landbouwbedrijf ontwikkelde zich sindsdien met zijn sterk gespecialiseerde, op de teelt van aardappelen gerichte opzet, tot een van de vroegst en meest geïndustrialiseerde sectoren van de Nederlandse landbouw.

Tot 1897 bestonden er ruim twintig particuliere aardappelmeelondernemingen. De eerste Drentse fabriek werd in 1894 door Jacob Hoogerbrugge te Smilde gesticht. In 1919 verenigden de meeste coöperatieve fabrieken zich in de te Veendam gevestigde 'Coöperatieve Vereniging Coöperatief Aardappelmeelverkoopbureau', kortweg het 'Avébé', waardoor het overgrote deel van de aardappelmeel via één kantoor werd verkocht. Gezamenlijk, coöperatief de problemen oplossen, is kenmerkend geweest voor het gebied en dat geldt eigenlijk nog steeds, ondanks het verindividualiseren van de samenleving.

Op de open dag te Valthermond werd een aantal innovatieve technieken gedemonstreerd. Privaat initiatief en ondernemerschap zijn daarvoor van belang, toch bleek andermaal dat met een gezamenlijke inspanning en collectieve financiële ondersteuning verbindingen gelegd kunnen worden om ontwikkelingen te helpen. Dat is nodig, want ook de aardappelmoeheid heeft de laatste jaren niet stil gezeten en vormt nu een toenemende, virulentere bedreiging voor de geliefde aardappel, dan een aantal jaren geleden. Met collectieve middelen van het oude Productschap Akkerbouw is daarom een Plan van Aanpak AM opgezet, waarin alle sectorpartijen zijn vertegenwoordigd, om de AM-bestrijding een stevige impuls te geven.

Samen staan we sterk en kunnen we zelfstandig op eigen kracht onze problemen oplossen. Ook dat is kenmerkend voor het noordoostelijk zand- en dalgrondengebied. De paraplu van het oude Productschap Akkerbouw faciliteerde initiatieven, die op die basis werden genomen op uitstekende wijze. Door een politieke dwaling is dat instrument echter opgeheven en viel de mogelijkheid om zaken collectief te regelen en financieren weg. De BO Akkerbouw heeft echter voor haar vijfjarig onderzoeksprogramma wel een verbindendverklaring gekregen, waarmee de minister elke akkerbouwer verbindt om financieel daaraan bij te dragen. De liefde voor de aardappel en het belang om gezamenlijk initiatief te ondernemen om de eigen problemen zelf aan te pakken, onderschrijft het belang dat gehecht wordt aan een collectieve inzet en financiering.

Jeroen Kloos

Jeroen Kloos

Senior adviseur Akkerbouw LTO Nederland

Naar alle weblogs van Jeroen Kloos

Praat mee

Om mee te kunnen discussiëren dient u eerst in te loggen.