Gefundeerde rassenkeuzes doen er toe

In het kader van het Plan van Aanpak AM, gefinancierd door de BO Akkerbouw, werd op maandag 9 september jl. een bijeenkomst gehouden over de resultaten van proefnemingen om de relatieve vatbaarheid van zetmeelaardappelrassen ten opzichte van de nieuwe, virulentere AM populaties van G. pallida te bepalen.

Er heeft een nauwgezette statistische analyse plaatsgevonden om de uitkomsten van die proefnemingen op waarde te kunnen interpreteren. Dat was nodig want cijfers van relatieve vatbaarheid kunnen je misleiden en een valse verwachting wekken over de reactie van de AM populatie in combinatie met de ons bekende zetmeelaardappelrassen.

AM populaties in het veld kennen hun eigen dynamiek. Door een proces van selectie binnen de populatie kan een nieuwe, virulentere samenstelling uit de oude populatie ontstaan. Het is alsof een verzameling met genetisch diversiteit door interactie met de aardappelrassen die door de opeenvolgende jaren op het veld worden geteeld in een richting evolueren, waardoor de virulentere aaltjes de boventoon kunnen gaan voeren. Een klassiek geval van “survival of the fittest” volgens de theorieën van Darwin, door natuurlijke selectie. Daar is niets vreemds aan, maar wel iets wat we ons niet altijd realiseren als we een nieuw resistent ras inzetten.

Gelukkig blijkt ook uit de proefnemingen dat er verschillen bestaan tussen de reactie van het ene zetmeelaardappelras en het andere ras ten aanzien de nieuwe AM populaties. Evoluties van de AM populaties zijn dus niet hetzelfde. Ze kennen verschillende snelheden, maar er is ook verschil in de richting. Het resultaat is dat de relatieve vatbaarheid van de ons bekende aardappelzetmeelrassen verandert, maar niet allemaal in dezelfde richting en met dezelfde snelheid. En die verschillen zijn het juist, die aanknopingspunten bieden om gefundeerde keuzes te maken voor het beste ras in verhouding tot de AM populatie op het eigen perceel.

Omdat het vertrekpunt is dat AM populaties verschillen, is het essentieel om een goed beeld te krijgen van de ontwikkeling van de populatie op het eigen perceel. Afgaan op toetsen die een ander laat doen, werkt dus niet. De basis is de unieke AM populatieontwikkeling op je eigen perceel. Als die ontwikkeling gemonitord wordt door grondonderzoek en de aanwezige AM populatie is volgens verwachting van het gebruikte ras, dan is er geen aanleiding om te veronderstellen dat er iets “vreemds” aan de hand is. Als het grondonderzoek wel iets raars laat zien, dan is het van belang om na te gaan of de keuze voor een andere ras een beter alternatief zou kunnen zijn. Uw adviseur kan helpen met de interpretatie van de uitkomsten van het grondonderzoek.

Als daar aanleiding voor is, biedt een Rassen Keuze Toets de mogelijkheid om alternatieven voor de eigen, unieke AM populatie te testen. Tijdens de bijeenkomst van 9 september jl. werden echter wel kritische vragen gesteld over de kwaliteit en uitkomsten van zo’n toets. Terechte vragen die de zorgen over het beschikbare instrumentarium uitten. De RKT is een bio-toets, en net zoals in de akkerbouw is de biologie geen exact wetenschap dat altijd volgens een vast patroon verloopt. Bovendien worden in de containers kleine knolletjes als plantmateriaal gebruikt, en per container worden 300 levende larven toegediend. Klein en levend materiaal, wat resulteert in best wel wat variatie. Toch werd unaniem geconcludeerd dat de RKT dan weliswaar niet 100% perfect is, maar met de stand van de techniek van dit moment is het wel het beste instrument om een gefundeerde rassenkeuze te kunnen maken. En gezien de AM ontwikkelingen doet dat er toe.

Jeroen Kloos

Jeroen Kloos

Senior adviseur Akkerbouw LTO Nederland

Naar alle weblogs van Jeroen Kloos

Praat mee

Om mee te kunnen discussiëren dient u eerst in te loggen.