Veehouderij en Gezondheid Omwonenden

Halverwege 2016 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) openbaar geworden. In dat onderzoek zijn de gevolgen onderzocht van veehouderij op de gezondheid van omwonenden. 

 De veehouderij werd de afgelopen jaren door tegenstanders aangewezen als gevaar voor omwonenden. Dit vanwege vermeende gezondheidsrisico’s, zoals astma, allergieën en zoönosen. Het VGO-onderzoek toont aan dat dit onterecht is. In gebieden met veel veehouderijen komen minder astma en allergieën voor, dan in de referentiegebieden. Daarnaast toont het onderzoek aan dat de overdracht van zoönosen, zoals MRSA en ESBL, niet vaker plaatsvindt in gebieden met veel veehouderij, dan elders in Nederland. Een belangrijke ziekte als COPD, veroorzaakt door roken, komt in de omgeving van veehouderijbedrijven zelfs minder voor. Mensen, die COPD hebben en die in de buurt van veel veehouderijbedrijven wonen, hebben wel een grotere kans op ernstigere klachten. Uit het onderzoek blijkt ook dat er meer longontsteking voorkomt binnen 1.000 meter van pluimveebedrijven, waarschijnlijk gerelateerd aan fijnstof uit stallen. Normaal krijgt 1,5% van de bevolking jaarlijks longontsteking. In de buurt van pluimveebedrijven is dat 1,65%.

Er is vooral gekeken naar de rol van fijnstof uit de agrarische sector op de volksgezondheid. Verkeer, industrie en lucht, die vanuit het buitenland komt, zijn minstens zo belangrijk. De sector heeft echter een eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de bijdrage van de agrarische sector tot een minimum wordt beperkt. Hierbij moeten we een onderscheid maken tussen primair fijnstof, dat direct uit stallen komt, en secundair fijnstof, dat ontstaat door de binding van ammoniakdeeltjes met andere componenten in de lucht.

De pluimveehouderij heeft de afgelopen jaren een grote stap gezet in de door de politiek en maatschappij gewenste ontwikkeling in dierwelzijn. Dit heeft echter ook een negatief effect gehad op de emissie van fijnstof. Het geeft opnieuw aan hoe belangrijk een integrale benadering is.

De sector wil haar verantwoordelijkheid nemen rondom fijnstof en de volksgezondheid van omwonenden. We wonen en werken immers samen in deze omgeving. Enkele onderzoeksvragen moeten nog worden beantwoord, zoals over het ontstaan van secundair fijnstof via ammoniak. Samen met overheid en onderzoekers gaat de sector aan de slag om de bijdrage van de pluimveesector zo klein mogelijk te maken. Een economisch rendabele bedrijfsvoering blijft het uitgangspunt, waarbij de aanpak gericht is op de vermindering van emissies en niet op dieraantallen. Dat laatste werd tijdens de LTO-bijeenkomst onderschreven door de onderzoekers van IRAS en RIVM.

De vakgroep LTO/NOP is voortdurend in overleg met provincies, onderzoeksinstellingen, bedrijfsleven en onze Belgische collega’s om te zoeken naar een integrale oplossing voor emissies in de pluimveehouderij. Diverse onderzoeken worden uitgevoerd en systemen getest. Daarbij is extra aandacht voor oplossingen, die ook bijdragen aan een positief effect in de stal. De vakgroep wil naar een emissiearme pluimveehouderij in 2025.