Beroepenveldcommissies

Scholen en sector nader tot elkaar

De beroepenveldcommissies (bvc’s) zijn het regionale aanspreekpunt voor boeren en tuinders die knelpunten signaleren op het gebied van opleiding en scholing. Bvc-leden Johan van Hal en Romkje de Hoop vertellen waar ze mee bezig zijn rond het onderwijs voor de dierlijke en plantaardige sector.

Achtergrond

Johan van Hal uit Boxtel draait vanaf het begin mee in de beroepenveldcommissie Zuid-Nederland. Met de doorontwikkeling van zijn melkvee- en zeugenhouderij merkte hij dat daarmee ook de behoefte aan goed geschoold personeel meegroeit.

‘Bij productiemedewerkers is het belangrijk dat ze er gevoel voor hebben. De meeste vaardigheden brengen we hun wel intern bij. Maar bedrijfsleiding en middenkader moeten beschikken over kennis, inzicht en managementvaardigheden.  Die moeten op het juiste moment de juiste de juiste actie ondernemen. Daar heb je de opleidingen voor nodig.’

Van Hal ziet dat het groen onderwijs, vooral op mbo-niveau, een ontwikkeling doormaakt van voorheen eigen koninkrijkjes naar meer onderlinge samenwerking. Een logische ontwikkeling, vindt hij.

‘De sector krimpt en daarmee ook de instroom in het agrarisch onderwijs. Dan valt het niet mee om als opleiding bij te blijven. Onze taak als bvc is vooruit te kijken naar hoe de sector zich ontwikkelt en te zorgen dat het onderwijs daarin meegaat.’

De agrarische sector en het groen onderwijs moeten samen een kwaliteitsslag blijven maken, stelt de veehouder. ‘Certificatie van leer- en stagebedrijven, bijvoorbeeld, geeft al meer zekerheid over een bepaald niveau van het onderwijs.’

Van Hal ziet zich als bvc-lid als een afgevaardigde van de veehouderij. ‘Ik vorm toch de schakel tussen mijn collega-boeren en het onderwijs. Wij masseren; we praten regelmatig met schooldirecties over het te voeren beleid. We vertellen waar we tegenaan lopen en hoe wij het onderwijs zien. Daarbij staan we als partijen echt niet tegenover elkaar; we hebben elkaar immers nodig.’

De veehouder wijst op de ontwikkelingen in de informatica die ook in het onderwijs van pas komen. ‘Via VarkensNET wordt veel data verzameld die je goed in het onderwijs kunt gebruiken’, zegt hij.

‘Je kunt zo ook één digitaal landelijk lespakket ontwikkelen, ondersteund met onlinebeelden. Daardoor hoeft niet elke opleiding eigen lesstof te organiseren. De sector werkt al landelijk, en in veel opzichten ook internationaal, waarom zou je het onderwijs dan ook niet zo vormgeven?’

Arbeidsbehoefte

In de plantaardige sectoren is de arbeidsbehoefte het grootst. Dat maakt het belang van kwalitatief goed onderwijs er alleen maar groter op, constateert bvc-lid Romkje de Hoop. Als plantenteler en mede-eigenaar van een hoveniersbedrijf en tuincentrum in het Friese Triemen heeft ze tien mensen in vaste dienst.

Daarnaast fungeert het bedrijf als stageadres voor vmbo’ers en mbo’ers en biedt het werkervaringsplekken voor bijvoorbeeld Wajongers.

Opleidingen waren niet echt gewend om direct met het bedrijfsleven te praten, is De Hoops ervaring. ‘Het is toch een ander vakgebied en ze werken voornamelijk met landelijke lesprogramma’s. Maar je bouwt met sommige stagebegeleiders wel een goede relatie op, op basis van soms jarenlange samenwerking. Dan leer je elkaar te respecteren.’

Aansluiting

Het vinden van aansluiting van een leerling op een bedrijf is volgens de plantenteler cruciaal. Een opleiding doet het in haar ogen pas goed als ze hun leerlingen bewustmaakt waarom ze iets doet en dat het soms ook anders kan.

‘Je merkt het vaak al snel of leerlingen goed zijn voorbereid: stellen ze de juiste vragen, hebben ze een duidelijke opdracht meegekregen. En de kwaliteit van hun werk moet goed zijn, ondanks dat het vaak repeterende arbeid is. Wij verwachten dan een open houding van de stagebegeleiders, zeker bij de probleemgevallen die je hier ook krijgt.’

De Hoop ziet de rol van de bvc als die van kwaliteitsbewaker. ‘De uitdaging voor ons is ook om over te brengen aan de opleidingen welke behoeften er leven in de agrarische sector over vier of vijf jaar.’

De inspanningen van de bvc’s werpen volgens de ondernemers inmiddels hun vruchten af. ‘De opleidingen zijn er duidelijk van doordrongen dat het geen eenrichtingverkeer is. Ze vragen ons nu ook welke behoeften wij hebben.’



Verdere concentratie voor onderwijs de enige weg

Teamleider veehouderij Cor Duim van het Groenhorst College in Barneveld kan de wensen uit de praktijk om de kwaliteit van het agrarisch onderwijs in de benen te houden goed volgen. ‘Concentratie is de enige weg. Je ziet dat de opleidingen al bij elkaar kruipen, zoals hier in Oost-Nederland.’

Achtergrond

Volgens Duim is door de afgelopen fusiegolf het al makkelijker om het agrarisch onderwijs beter op de kaart te zetten. Dat bewijzen de leerlingenaantallen van de afgelopen jaren. ‘De toestroom van leerlingen, hier in Barneveld zo’n tweehonderd voor veehouderij op mbo-niveau, blijft inmiddels stabiel. Tien jaar geleden liep dat nog flink terug.’

De teamleider denkt dat verdere concentratie van het veehouderijpraktijkonderwijs de enige weg is. Met twee onderwijscentra in Sterksel en Barneveld is dat bijvoorbeeld in de varkenshouderij al het geval, geeft hij aan. ‘Voor ons blijft het de uitdaging leerlingen op te leiden voor de toekomst. Dat betekent dat je helemaal aan de voorkant van de ontwikkelingen moet zien te blijven.’

Dat doen de opleidingen volgens Duim met behulp van informatica of geholpen door nauwe contacten met bijvoorbeeld leveranciers van stalsystemen. ‘In het onderwijs voor de pluimveehouderij lukt dat vooralsnog beter dan in de varkenshouderij of de melkveehouderij. Het is een sector die vrij uniform is en in hoog tempo opschaalt en vergaand internationaliseert.’

E-learning

Onderwijsmateriaal kan zo makkelijker worden ontwikkeld en breder worden toegepast. Zo zijn al samenwerkingsverbanden opgezet met opleidingen in heel Europa en ook daarbuiten, vertelt Duim. Daarbij wordt een theorieprogramma aangeboden op basis van e-learning. Voor het praktijkonderwijs komen leerlingen pluimveehouderij dan nog twee weken per jaar naar Barneveld.

Duim vindt overleg met de beroepenveldcommissies over dit soort ontwikkelingen belangrijk. ‘We praten er over nieuwe trends en mogelijkheden en toetsen of de koers die we volgen de juiste is. Bijvoorbeeld of ons stageplaatje klopt; krijgen stagiairs voldoende bagage mee om te functioneren op hun stageplaats? Zo kunnen we een beroep doen op boeren en tuinders met passie voor onderwijs. Die vormen onze klankbordgroep.’

Bron: Nieuwe Oogst, zaterdag 14 november 2015