Agrarisch Natuurbeheer

Samenvatting reactie bij Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL)

Algemeen

Het BAL bundelt de regels over activiteiten die in de regel door bedrijven worden verricht op het gebied van bodem, geluid, milieubeheer, lozingen, mijnbouw, zwemwater- en badinrichtingen Vertrekpunt voor dit Besluit is dat de regelgeving uit bestaande wetgeving wordt overgenomen. Wat zeker verandert is dat straks de activiteit het uitgangspunt is en niet de inrichting. LTO verwacht ondanks dat het ministerie zorgvuldig werkt aan nieuwe regels, er praktijksituaties ontstaan die ongewenst zijn, maar over het hoofd zijn gezien door de omvang en veelheid aan regels.

Platform met bedrijfsleven nodig voor overleg

Een uniforme interpretatie en handhaving van de regels moet het uitgangspunt blijven. LTO Nederland pleit er daarom voor dat er duidelijke landelijke handreikingen komen voor het toepassen van maatwerk door provincies, gemeenten of waterschappen, waarbij ook de economische factor wordt betrokken. Tussen deze partijen is goed onderling overleg en afstemming dan ook noodzakelijk. Om het werkbaar te houden stelt LTO voor dit regionale overleg zo nodig sectoraal op te delen.

Evalueren en bijstellen

Mede om bovenstaande redenen vindt LTO Nederland dat het stelsel tijdig, bijvoorbeeld na twee jaar, geëvalueerd moet worden. En dat er een noodstopprocedure ingevoerd moet worden, zodat onbedoelde gevolgen snel hersteld kunnen worden. De nieuwe wet moet leiden tot lagere administratiekosten en onderzoeklasten (zowel voor bevoegd gezag, als ondernemers). LTO Nederland pleit daarom voor een platform dat in de eerste jaren onder regie van het Rijk en samen met provincies, gemeenten en handhavende instanties, met de sector spreekt over de interpretatie van regels, praktische onvoorziene knelpunten en verbeteringen.

Meldingen: overgangsrecht en sancties

Eén van de nieuwe elementen is de plicht om 4 weken voor de start, de activiteit te melden. Het is LTO niet duidelijk of bestaande activiteiten ook gemeld moeten worden of dat de activiteiten op bestaande vergunde inrichtingen automatisch onder het overgangsrecht vallen.

Strafrecht wordt straks ingezet bij het niet melden van een activiteit. LTO Nederland wil samen met het ministerie kijken naar stimuleringsinstrumenten voor ondernemers om meldingen tijdig te doen, in plaats van straffend op te moeten treden. LTO vindt dat overtredingen horen bij het bestuursrecht en niet via het strafrecht afgehandeld moeten worden, zoals ook bij bedrijven met vergunning.

Geen melding voor terugkerende reguliere bedrijfsactiviteiten

Het is LTO niet duidelijk hoe met periodiek terugkerende activiteiten moet worden omgegaan, zoals bij veel (plantaardige) sectoren. Deze verplichting brengt ook de bedrijfsvoering zelf in gevaar.

Het kiezen van kritische momenten bijvoorbeeld voor het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen valt volgens LTO onder het eigen ondernemerschap en is onmogelijk administratief in te plannen.

LTO Nederland vindt dat het vooraf melden alleen noodzakelijk is bij de initiële start of het initieel inrichten van een bedrijfsactiviteit en niet bij periodieke herstart. Zo neemt regeldruk tenminste af.

Gevolgen herziening Publicatie reeks Gevaarlijke Stoffen (PGS)

In verschillende artikelen wordt verwezen naar PGS-documenten. Omdat deze momenteel of de komende tijd worden herzien is voor ons onduidelijk hoe dit precies zal doorwerken. Daarbij is aandacht nodig voor specifieke toepassingen voor de agrarische sector.

Ligging landbouwgronden

Landbouwgronden liggen volgens de toelichting buiten de bedrijfslocatie. Echter soms ligt een deel van de gronden op het bouwblok, maar zijn ze geen onderdeel van de inrichting. Ze worden gebruikt als landbouwgrond. LTO gaat ervan uit dat hiervoor dezelfde regels gelden als voor de overige landbouwgrond. LTO vraagt hierover helderheid te verschaffen.

Preparaten

Het is voor LTO onduidelijk of preparaten die in de biologisch dynamische akkerbouw worden toegepast, gezien worden als gewasbescherming. Dit vanwege het voorschrift dat de zuiveringsplicht niet geldt voor anorganische stoffen zoals metalen en micro-organismen die als gewasbeschermingsmiddel worden ingezet.

Gelijkmatig verspreid

Op meerdere plekken in het BAL wordt vermeld dat “gelijkmatig verspreid” over het land moet worden. Dat is niet altijd te realiseren, bijvoorbeeld bij overloop van spoelwater bij mobiele installaties in het veld. Verduidelijking van dit punt is nodig.

Energietoepassingen buiten de inrichting

LTO constateert dat steeds vaker energietoepassingen buiten de inrichting, in of op vollegrondspercelen plaatsvinden. Dit gebeurt het gehele jaar door, zoals de ontwikkeling van zonnevelden. Ook zijn er tijdelijke voorzieningen, zoals verwarmingsketels met opslagvoorziening voor het verwarmen van aspergevelden. Steeds vaker gebeurt dit met biomassaketels (bijvoorbeeld drie maanden per jaar in grote zeecontainers), waarbij ook veel opslag van pallets of houtsnippers aan de orde is. Het is LTO niet duidelijk hoe deze nieuwe ontwikkelingen passen in de nieuwe regelgeving.

Drukregistratiemeter op veldspuitapparatuur

Wij constateren dat het Activiteitenbesluit milieubeheer in verband met de vermindering van emissies van gewasbeschermingsmiddelen, één op één worden overgenomen in het BAL. LTO Nederland heeft in een eerdere zienswijze op wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer (kenmerk JB/JA/160725) aangegeven dat wij ons niet kunnen vinden in het feit dat een drukregistratiemeter op veldspuitapparatuur verplicht wordt. Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar de zienswijze welke hier als ingelast kan worden beschouwd.

Opmerkingen bij specifieke Artikelen

Specifieke zorgplicht (Artikel 2.10)

In het BAL is een zorgplicht opgenomen. Dat wil zeggen dat een ondernemer verplicht is maatregelen te nemen als hij een milieubelastende- of lozingsactiviteit verricht waarvan hij kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de omgeving. De te nemen maatregelen moeten die nadelige gevolgen voorkomen of beperken. LTO vindt dat wanneer er voor een activiteit specifieke voorschriften zijn opgenomen in het BAL, de zorgplicht geen doorwerking mag hebben in die zin dat bevoegd gezag op grond van dit artikel aanvullende eisen gaat stellen. Als bevoegd gezag aanvullende eisen wil stellen, dan moet ze dat via maatwerk doen. Dat biedt ondernemers de mogelijkheid op deelname aan het democratische proces en inspraak. Het inroepen van zorgplicht biedt die mogelijkheid niet, en overmatig gebruik van zorgplicht zal daardoor op veel weerstand kunnen rekenen.

Pelsdierverbod hoort niet in BAL (Artikel 3.163)

Er worden ondergrenzen gehanteerd wanneer het houden van dieren een milieubelastende activiteit is. Bij pelsdieren wordt deze grens op één dier gelegd. De emissie van een nerts is lager dan van een koe of een varken. Deze grens past daarom volgens LTO niet binnen het oogmerk en het doel van de wet. LTO vindt een grens van 25 pelsdieren logisch. En vermoedt dat de gekozen grens niet is gebaseerd op de milieubelasting van deze activiteit maar blijkbaar op het besluit dat pelsdieren in 2024 niet meer gehouden mogen worden in Nederland. Dit is een besluit dat om ethische redenen is genomen en is vastgelegd in de Wet Dieren. De regel in het BAL is daarom onnodig.

Minder bedrijven onder de algemene regels (Artikel 3.164)

Doel van deze wet is de administratieve lasten te verminderen en zo veel mogelijk bedrijven onder de algemene regels te laten vallen. Echter bij de veehouderij gebeurt volgens LTO het tegendeel. Via lid 2 komen juist veel meer bedrijven onder de vergunningplicht. In het huidige Activiteitenbesluit ligt de grens voor varkens- en kippenbedrijven bij de IPPC-grens (750 zeugen, 2.000 vleesvarkens en 40.000 kippen). In het ontwerpbesluit is grens zeer fors aangescherpt (50 zeugen, 50 vleesvarkens, 2.500 kippen). Ook voor geiten en schapen (van 2.000 nu naar 50 straks) en voor vleesrunderen (1.200 naar 50) zijn de grenswaarden zeer fors aangescherpt en voor paarden zijn de grenswaarden verlaagd van 100 naar 50 paarden.

In de toelichting is te lezen dat lid 2 alleen betrekking heeft op de MER-beoordelingsplicht en bedrijven alleen voor dat onderdeel een vergunningplicht hebben. Dit roept verwarring op en lijkt juridisch risicovol. LTO pleit voor het opnemen van de beperkte vergunningplicht in het artikel zelf.

Productie kunstmeststoffen (Artikel 3.90 en 3.91)

LTO ziet de term kunstmeststoffen graag vervangen door “anorganische kunstmeststoffen”. Want met de circulaire economie zetten sector en overheid in op de productie van kunstmestvervangers (of kunstmest) uit dierlijke mest. Een beschrijving van wat wordt bedoeld is belangrijk.

Kleinschalig tanken (Artikel 4.495)

Hier lijkt een ongewenste lastenverzwaring aan de orde te zijn. Er wordt verwezen naar paragraaf 5.4.2, waarmee het hebben van een vloeistofdichte bodemvoorziening is voorgeschreven. In artikel 4.500 wordt dat echter weer tegengesproken en wordt een aaneengesloten bodemvoorziening voorgeschreven. LTO Nederland staat voor dit laatste artikel, dat past bij de huidige situatie.

Middelgrote stookinstallatie (§ 3.2.3)

LTO Nederland wil graag vooraf geraadpleegd worden op het moment dat sprake is van invulling van deze paragraaf. Vele sectoren in dierlijke en plantaardige sectoren maken gebruik van deze apparatuur.

Reiniging verpakkingen (Artikel 4.708/4.715)

Volledige (100%) reiniging vindt LTO niet realistisch en niet nodig; een verantwoorde omgang met lege verpakkingen is vastgelegd in het Convenant Verpakkingen.

Gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen bij teelt in de openlucht (§ 4.64)

LTO Nederland wil graag vooraf geraadpleegd worden op het moment dat sprake is van invulling van deze paragraaf.

Lozingen glastuinbouw (§ 4.75 en § 4.76)

LTO Nederland heeft haar zienswijze op de voorgenomen wijzigingen in het Activiteitenbesluit ingediend en pleit ervoor deze zienswijze te betrekken bij het invullen van deze paragrafen in het BAL.

Afscherming assimilatiebelichting (§ 4.71)

In paragraaf 4.71 zijn de voorschriften voor de afscherming van assimilatiebelichting opgenomen. In het Activiteitenbesluit stond bij de voorschriften over deze afscherming de mogelijkheid tot maatwerk en die is voor sommige teelten cruciaal. LTO vraagt zich af of maatwerk nu in algemene zin geregeld is en dat de gemeente dit straks kan toepassen op alle voorschriften die in deze paragraaf genoemd zijn. Een lager schermpercentage gedurende de donkerteperiode, een lager schermpercentage gedurende de nanacht voor zowel de belichting van meer als de belichting van minder dan 15.000 lux moet in de toekomst mogelijk blijven via maatwerk. LTO vraagt om verduidelijking op dit punt.

Lozen van brijn (§ 4.79)

Dit betreft water dat een hoge concentratie zout bevat. Enerzijds is hierbij de vraag of bevoegd gezag hier straks nog van kan afwijken via maatwerk (dus omgekeerde osmose op grondwater met retour van brijn in de ondergrond toestaan). Anderzijds heeft LTO Nederland bedenkingen bij artikel 4.799. Na 31 december 2012 zijn vele installaties gelegaliseerd door maatwerk toe te passen. Er is echter in de BAL (nog) niets opgenomen over het overgangsrecht van het huidige maatwerk. Belangrijk is dat die installaties ook minimaal door moeten kunnen blijven draaien in de periode die het (huidige) maatwerk toestaat. Daarnaast moeten nieuwe installaties toegestaan kunnen worden. Het is acceptabel als dit via maatwerk wordt gerealiseerd.

Lozingsroutes spoelwater (spoelen van gewassen) (Artikel 4.734, 4.743 en 4.747)

Volgens LTO is de inhoud van de laatste van deze drie artikelen bijzonder cryptisch en klopt de inhoud ook niet met wat in het 1e lid is gesteld.

Composteren van groenafval (Artikel 4.865 en 4.866)

Doel van de regelgeving is het beschermen van de bodem en waterlichamen. LTO Nederland onderschrijft deze doelstelling. Het composteren van eigen organisch afval past in de verduurzaming van o.a. de bloembollenteelt met het hergebruik van organisch materiaal op eigen bedrijf. LTO Nederland wil dat binnen de doelstellingen het aanleggen van composthopen wordt gestimuleerd. LTO Nederland pleit ervoor om geen maximaal volume voor het opslaan en composteren van groenafval op te nemen. Het BAL noemt een maximum volume van 600 m3. Bedrijven hebben vaak een grotere composteringshoop. De vergunningplicht voor composteringshopen van meer dan 600 m3 moet vervallen

LTO Nederland vindt het zeer positief dat in de doelvoorschriften het verschil tussen het opslaan en composteren van groenafval duidelijk naar voren komt. LTO Nederland pleit ervoor om de regelgeving uit het huidige Activiteitenbesluit daar niet aan te koppelen, zodat de ondernemer zelf invulling kan geven aan de doelvoorschriften. Het doel blijft immers het voorkomen van milieuverontreinigingen in bodem en waterlichamen ongeacht of het een composteringshoop of opslag van groenafval betreft.

Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie (§ 4.82)

Vaste mest wordt in sommige gevallen tijdelijk opgeslagen op landbouwpercelen. In het huidige Activiteitenbesluit is dit ook mogelijk. Voorwaarden zijn dat als de vaste mest langer dan 2 weken blijft liggen deze wordt afgedekt en er moet een afstand van 5 meter tot het oppervlaktewater worden aangehouden. In het BAL staat dat het opslaan van vaste mest 4 weken van tevoren moet worden gemeld. LTO Nederland vindt dit onnodig en bureaucratisch en stelt voor om de regels van het huidige Activiteitenbesluit aan te houden. Daarnaast is opgenomen dat bij het opslaan van vaste mest een absorberende laag aanwezig moet zijn. Dit voorschrift kan worden geschrapt, omdat vaste mest zelf al absorberend is. Het voorschrift is alleen zinnig bij natte agrarische producten. LTO mist de situatie voor korttijdige opslag van mest op het land in het BAL en vraagt zich af of dit nu wel of niet mag.

Bovengrondse opslag propaan (§ 4.90)

Het is LTO onduidelijk of deze opslag bij vooral akkerbouwers mogelijk blijft.

Energiebesparing (§ 5.4.1)

Voor veel agrarische activiteiten geldt straks de verplichting om alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste 5 jaar te treffen. De impact en de bedoeling van deze verplichting is LTO volstrekt onduidelijk. Ook is LTO onduidelijk waarom deze maatregelen gelden tot en met 2020. Daarnaast gaat LTO uit van een automatische koppeling met de erkende maatregelenlijst voor energiebesparingsmaatregelen die nu is gepubliceerd.